"De laaj van vrigger"
Ide van Boulogne (Bolen) (ca. 1040-1118)
Dochter van Godfried met de Baard en Oda (Uoda) en echtgenote van Eustachius II. Zoals blijkt uit een oorkonde uit 1096 zijn zowel haar grootvader,Gothelon, als haar moeder in de nabijheid van de Stiftskerk van Munsterbilzen begraven. De band met Munsterbilzen en het huis van Boulogne moet dus al vroeg zeer hecht geweest zijn. Vermoed wordt -al zijn hiervan geen afdoende bewijzen - dat Ide haar jeugd in de abdij van Munsterbilzen heeft doorgebracht.
In eerder genoemde oorkonde schenkt ze in het bijzijn van o.a. haar zoon Godfried van Bouillon, vele gronden, allen gelegen in de naaste omgeving van het Stift, aan de regerende abdis, Mathilde van Loon.
Ludovicus Sanctus (Lodewijk Heyligen (de Beeringen)) (1304-1361)
Lodewijk Heyligen of Ludovicus Sanctus uit Beringen was een geleerd man en één van de beste vrienden van de gekende dichter Petrarca. Hij noemde hem "Socrates". Op 10 september 1332 verkreeg hij door een pauselijke bulle van Johannus XXII een prebende als kanunnik aan het Stift van Munsterbilzen. Hiervoor werd hij door de priorin van het stift bedacht met de collatie van Guigoven dat voornamelijk verbonden was aan het Andreusaltaar in de abdijkerk. In een aanbevelingsbrief uit 1330 van diezelfde paus wordt hij "magister in musica" genoemd. In het begin van datzelfde jaar zal Sanctus cantor geworden van kardinaal Colonna te Avignon. Wat later wordt hij ook diens secretaris. Hij stierf in mei 1361 ten gevolge van de pest die toen te Avignon woedde.
Judocus (Joost) Goedhuys(e) ("Guiseppe di Casabona") (ca. 1520-1591)
Goedhuyse zal hoogstwaarschijnlijk wel niet geboren zijn in Munsterbilzen omdat deze naam hier, voor zover we kunnen nagaan, niet voorkwam. De naam was en is vrijwel uniek verbonden aan het Hageland. Enkele van zijn brieven aan geleerde collega’s als Camerarius en Clusius ondertekent hij als "Jodocus Jodoci de Goethuyse, sive Giuseppe Casabona Monasteriensis Blisiae" of varianten hierop.
Vermoed wordt dat Goedhuyse op jonge leeftijd zijn Vlaamse heimat inruilt voor Italië. Of dit vertrek te wijten was aan godsdienstperikelen of een (financieel?) interessant aanbod is niet geweten. Zo een aanbod werd hem alleszins in 1543 aangeboden door Nicollo Gaddi, een particiër en zakenman uit Firenze. Zijn grote verdienste als geleerd botanicus kwam ook Groothertog Cosimo I, een de Medici, ter ore. Die droeg hem op om de hertogelijke tuinen te Firenze te verzorgen. Later werd hij ook aangesteld als directeur van de botanische tuinen van Pisa. Voor de aanleg van botanische tuinen in het algemeen stelde Casabona regels en plannen op die tot op de dag van vandaag wereldwijd als grondleggend worden beschouwd. Hij was ook de eerste plantkundige die bekwame schilders en tekenaars aansprak om hen "in vivo" gedetailleerde afbeeldingen te laten maken van "zijn" planten. Hij ondernam in hun gezelschap belangrijke reizen naar o.a. Corsica en Kreta. Casabona die gehuwd was met een dochter uit een adellijk Florentijns geslacht, stierf in 1591 waarschijnlijk ten gevolge van een besmettelijke ziekte.
Hendrik Hechtermans (1606-1679)
Hendrik werd geboren in 1606 in Munsterbilzen uit een geslacht dat uit Reeck (Rijkhoven) afkomstig was. Andere bronnen vermelden dan weer dat hij te Bilzen of Rijkhoven geboren zou zijn. Als hij 15 jaar is, treedt hij te Maastricht bij de Dominicanen binnen en legt er op 4 augustus 1622 zijn professie af. Zijn oversten, danig onder de indruk van zijn uitgebreide kennis en intelligentie, sturen hem al vroege leeftijd naar Spanje om er theologie te gaan studeren. Als hij na enkele jaren terugkeert, gaat hij dat vak ook onderwijzen te Aken, Maastricht, Leuven en Brussel. In 1636 ontving hij de graad van magister in de theologie voor zijn orde. In 1634 wordt hij de eerste vicaris van de orde der Dominicanen te Tongeren. Prins-bisschop Maximiliaan van Beieren gelast de jonge priester kort daarna met een belangrijke diplomatieke opdracht aan de zijde van koning Philips IV, die hij met grote tevredenheid van beide partijen vervult. Hendrik Hechtermans sterft in het klooster te Maastricht waar alles voor hem begon, op 4 augustus 1679. Hij zal er herinnerd worden als een begenadigd preker, een onderlegd theoloog maar vooral als een groot weldoener en goed mens.
Hij schreef enkele belangrijke theologische werken. Zijn vertaling van de zgn. "Coutinho" in het Nederlands is wel het bekendst. Dit werk draagt hij op aan Godfried Huyn van Geleen, toenmalig landcommandeur van Alden-Biezen.
Philippus van Roy (1764-1853)
Als zoon in een eenvoudig Munsters gezin, werd op 22 augustus 1764 Philippus Carolus Johannes van Roy geboren. Zijn vader heette Wilhelmus van Roy en zijn moeder Eva Meskens. Volgens zijn doodsprentje zou hij in 1778 al beneficiant van de collegiale kerk (Stiftskerk) geworden zijn. Dit impliceert dat hij toen slechts 14 jaar geweest zou zijn en is dus klaarblijkelijk een vergissing. Logischerwijs lijkt hiervoor eerder een datum in aanmerking te komen die zich situeert rond die van zijn priesterwijding, nl. 1788.
Ook al is hierover niets geweten, toch vermoeden we dat hij als Munsterbilzenaar zijn opleiding aan het Stift genoten heeft; vooral dan dat zijn vroege interesse en begaafdheid voor muziek, zijn muzikale vaardigheden ontdekt en verworven werden in de plaatselijke school. Voor bekwame leerlingen voorzag de abdis budgetten die hen toelieten zich verder te bekwamen. In de Stiftsarchieven is er in dit verband vaak sprake van Bergen-op-Zoom en Tilburg. Aangenomen wordt dat hij een norbertijn was. De parochie ’t Heike werd tot 1832 namelijk bestuurd door Witheren van Tongerlo. Van Roy’s invloed moet in de ogen van zijn opvolgers gigantisch geweest zijn. Twintig jaren na een blijkbaar memorabele optreden spreekt men nog steeds over de hoge opkomst die het concert onder zijn leiding genoot.
Uit de archieven blijkt dat in 1804, in de Goikerse kerk, eveneens een parochie te Tilburg, een "Royse mis" werd besteld. Dit moet ongetwijfeld een compositie van de Heikese organist geweest zijn. Zijn hele leven lang bleef van Roy het orgel trouw. Hij was ook als beroepsmusicus een hele tijd lang, de enige priester-musicus in heel Noord-Branbant. Er zijn voor zover bekend helaas geen composities van zijn hand bewaard gebleven.
Ger(h)ard Kar(e)l Brants (1781-1858)
Als bediende op het adellijk Stift weet Karel Brants al op jonge leeftijd de aandacht te trekken van zijn superieuren. Mogelijk ontving hij onderricht bij de paters kapucijnen of aan het Stift zelf. Tijdens de inval van de Fransen stelde de toenmalige abdis, Maria-Theresia Bentinck, zijn beschermvrouw die blijkbaar goede relaties onderhield met de koninklijke Oostenrijkse familie, hem voor om zich naar Wenen te begeven om daar te gaan studeren. In 1806 verkreeg Karel aan de universiteit van Landshut (Beieren) de graad van dokter en chirurg. Kort daarna verhuisde hij naar Wenen waar hij een praktijk opende. In 1817 werd hij lid van de medische faculteit te Wenen. Deze geboren Munsterbilzenaar was tevens de persoonlijke arts van de beroemde graaf Metternich.
Als vooraanstaand burger van Wenen ontving Brants regelmatig verschillende munten. De meest zeldzame daarvan bewaarde hij. In 1830 nam hij de idee op om een verzameling thalers aan te leggen. Zijn veelzijdige contacten stelde hem in staat, hetzij door giften, erfenissen of door aankoop, een grote verzameling munten aan te leggen. Naarmate de tijd vorderde raakte Brants meer en meer begeesterd door zijn verzameling. Hij kocht op veilingen en in antiquariaten zeldzame boeken over munten. Onder zijn verzameling bevonden zich ook tal van zilverlingen, goudmunten, en ook vele middeleeuwse, Romeinse en Griekse munten. Een zeer belangrijke aankoop met betrekking tot zijn thalercollectie vond plaats in 1856 toen hij de verzameling van wijlen Alois von Steger voor de prijs van 20.000 gulden aankocht. Von Steger was de voormalige hoofdkassier van de Nationale Bank van Oostenrijk.
Gerhard Karl Brants stierf na een kortstondige ziekte in zijn woning, Schlagfusse nr. 28 te Gumpersdorf, een voorstad van Wenen, op 13 juni 1858. Uit zijn eerste huwelijk had Brants 2 zonen en een dochter. De hele muntverzameling kwam terecht bij zijn tweede vrouw, Antonia, bij wie hij geen kinderen had. De totale waarde van deze collectie van meer dan 20.000 stuks werd destijds getaxeerd op 50.000 gulden. In zijn testament had de goede arts zijn geboortedorp niet vergeten. Hij liet testamentair een bedrag van 25.000 fr. aan de armen van Munster overmaken.
Jan Guilielmus (Jean-Guillaume) Royer (1798-1867)
Dokter Jan Guilielmus Royer was voorbestemd om oud te worden. Met zijn kennis als huisarts en professor in de geneeskunde wist hij als geen ander uiteraard veel over de werking van het menselijk lichaam. Bovendien leek hij ook een erfelijk voordeel te hebben. Zijn vader (Lambertus) en moeder (Theresia Derwael) werden respectievelijk 105 en 96 jaar. Na zijn studies aan het atheneum te Maastricht, waar hij een grote kennis opdeed van talen en de literatuur uit de Oudheid, ging hij naar Leiden om er medicijnen te gaan studeren. Op 18-jarige leeftijd ontving hij er een diploma van dokter in de geneeskunde met grote onderscheiding. Aan de universiteit van Luik werd hij enige tijd later ook chirurg en verloskundige. Hoewel zijn vele Luikse vrienden er bij hem op aandrongen om zijn kennis op hoog niveau met gelijkgestemden te delen, bleef Royer in zijn eigen Munster een eenvoudige maar joviale en dienstvaardige huisarts. In 1935 werd hij geaggregeerde aan de faculteit geneeskunde. Op 5 augustus 1837 werd hij er buitgewoon hoogleraar. Op latere leeftijd doceerde hij aan deze universiteit ook pathologie, kinder- en vrouwenziekten en huidziekten. Royer werd door zijn collega’s geprezen om zijn enorme kennis in allerhande wetenschappen. Hij sprak met het grootste gemak 6 talen en citeerde uit het hoofd ganse hoofdstukken uit boeken van Cicero en Homerus. Op zijn sterfbed vroeg hij uitdrukkelijk om af te zien van de "universitaire honneurs". Royer werd 69 jaar en was ongehuwd.

Theodoor Vandebeeck (1896-1961)
Theodoor Alfons Vandebeeck werd geboren te Eik onder Munsterbilzen, op 11 februari 1896 als zoon van landbouwer Alfons en Maria Lunskens. Na zijn middelbare studies te Beringen ging hij wijsbegeerte studeren aan het klein seminarie van Sint-Truiden en theologie aan het groot seminarie te Luik. Op 6 april 1930 wordt hij daar tot priester gewijd. Van 1919 tot 1924 was hij leraar aan het Sint Lambertuscollege te Peer en van 1924 tot 1929 aan het klein seminarie te Sint-Truiden. In 1929 wordt hij benoemd tot directeur van het Sint-Lambertuscollege te Peer. Van 1937 tot 1941 wordt hij pastoor te Alt-Hoeselt en van 1941 tot 1961 te Zutendaal. Als student was Vandebeeck actief in de Katholieke Vlaamse Studentenbeweging Als leraar en schooldirecteur muntte hij uit door zijn enorme toewijding voor zijn leerlingen.
Erg geboeid door volksverhalen en sprookjes gaf hij in 1925 te Averbode zijn "Alvermannekens" uit. Hierin wordt het ontstaan en de diepere betekenis van sprookjes behandeld. Onder het pseudoniem Vl. Eikels was hij een vast medewerker aan het Vlaamse studentenblad "Lenteleven". Hierin schetste hij het ontstaan en de ontwikkeling van de Vlaamse schilderkunst.
Als pastoor van Alt-Hoeselt maar vooral als die van Zutendaal richtte hij jaarlijkse cyclussen in ter bevordering van het volksleven en nodigde hiervoor bekende sprekers uit om voordrachten te geven. Zelf sprak hij ook heel gepassioneerd over geschiedenis en breed culturele onderwerpen. Met het oog op die verbreiding stichtte hij in 1946 te Zutendaal het parochieblad "De Mariabode van Zutendaal" op. Hierin publiceerde hij zelf wekelijkse bijdragen over godsdienst, lokale geschiedenis, plaatsnaamkunde, volksgeschiedenis en folklore. Als directeur van de Mariacongregaties van Limburg leverde hij een grote bijdrage tot de verdieping en uitstraling van mariale vroomheid. Te Zutendaal zelf, waar sinds lang Maria gevierd werd als Behoudenis der Kranken, werd aan die vroomheid kleur gegeven door een Mariaspel dat er vanaf 1948 diverse malen werd opgevoerd in openlucht. Dit spel was gebaseerd op de oude plaatselijke teksten en voorzien van teksten van de hand van P.J. Boon.
Als geschiedkundige verleende hij zijn medewerking aan de TV-serie "de besloten tijd". Samen met Jan Grauwels schreef hij kort voor zijn dood het meermaals bekroonde standaardwerk "De Boerenkrijg in het Departement van de Nedermaas".
Arthur Moenaert (1891-1919)
Geboren in een arm en eenvoudig Kortemarks gezin maakt deze priester al op jonge leeftijd de gruwelen van de eerste wereldoorlog in al zijn facetten mee. Het ganse gezin vluchtte naar Lommel waar een ganse kolonie van vluchtelingen uit de "Vlaanders" huisde. Zijn ouders, inmiddels gescheiden van hun geliefde zoon, via een advertentie in een plaatselijke krant terug. Arthur was in Diepenbeek beland. Er was ook nog goed nieuws. De bisschop had hem als kapelaan benoemd te Munsterbilzen. De plaatselijke onder-pastoor deed immers dienst in het leger. Zijn zuster Godelieve trok mee met Arthur als huishoudhulp. EH Moenaert kreeg 2 kamers en 2 slaapkamers toegewezen in een huis van notaris Barthels. E.H. Moenaert is in zijn geboortestreek vooral bekend als dichter. Hij schreef ook een aantal gedichten over zijn korte verblijf te Munsterbilzen. Zijn gedichten zijn romantisch en getuigen ook van zijn gedreven Vlaamsgezindheid. Enkele van zijn gedichten verschenen in studentenbladen en tijdschriften als "Ons volk ontwaakt" en "Averbodes weekblad". In 1977 verscheen er voor het eerst een publicatie met biografische gegevens en een bloemlezing van zijn werk door de Kortemarker Marcel Stevens. Begin 1919 wordt Moenaert plots ziek. Zijn door hem zo geliefde parochianen trekken meer dan eens naar de kapel van Eik om voor zijn genezing te bidden. Het mocht niet helpen; Moenaert stierf op 28- jarige leeftijd te Brugge.
René Vanheusden (1912-1980)
René werd geboren te Munster als zoon van Jozef Vanheusden en Gertrudis Colla op 21 september 1912. Na zijn middelbare studies aan het St.-Jozefscollege te Hasselt behaalde hij in 1934 te Antwerpen het diploma van regent Nederlands-Frans-Geschiedenis. Na vijf jaar verbonden geweest te zijn aan de normaalschool te Torhout (1934–1939) en de rijksmiddelbare scholen van Tongeren, Ninove en Maaseik vond hij in 1944 een vaste stek aan het Atheneum te Eisden waar hij Frans onderwees tot 1976.
René mag zondermeer aanzien worden als dé kenner van de Munsterse geschiedenis en dan vooral de geschiedenis van het plaatselijke damesstift. In diverse tijdschriften publiceerde hij meer dan 30 artikels, allen gewijd aan de geschiedenis van zijn geliefde geboortedorp. Hij was ook een erg sociaal betrokken persoonlijkheid. Zo was hij ondermeer secretaris van de provinciale M.S. Liga. Hij was gehuwd met Paula Peusens en vader van een dochter. Hij overleed op 16 juli 1980 te Maaseik maar werd begraven te Heppeneert. Op zijn graf prijkt een Landradakruis.